ECLI:NL:HR:2009:BH3190

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11248
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepsaansprakelijkheid advocaat bij huur van bedrijfsruimte

Eiser heeft verweerder, een advocaat, gedagvaard wegens een beroepsfout die heeft geleid tot schade bij de huur van bedrijfsruimte. De rechtbank veroordeelde verweerder tot schadevergoeding, uitgaande van een voortgezet genot van het gehuurde tot ten minste 1 juni 2011. Verweerder stelde hoger beroep in, waarop het hof het vonnis vernietigde en verweerder veroordeelde tot vergoeding van schade met een voortgezette duur tot 1 augustus 2003.

Eiser stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De zaak betreft de aansprakelijkheid van een advocaat voor een beroepsfout in het kader van huurrecht, waarbij de schadevergoeding werd vastgesteld op basis van een bepaalde voortgezette huurperiode.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

24 april 2009
Eerste Kamer
07/11248
EV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 30 januari 2004 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen de geleden schade als gevolg van de in de dagvaarding omschreven beroepsfout, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen en getuigenverhoren, bij eindvonnis van 10 augustus 2005 [verweerder] veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de in de dagvaarding omschreven beroepsfout geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, uitgaande van een voortgezet genot van het gehuurde tot ten minste 1 juni 2001 (kennelijk is bedoeld: 1 juni 2011).
Tegen dit eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 19 april 2007 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van zijn beroepsfout geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, uitgaande van een voortgezette duur van genot van het gehuurde tot 1 augustus 2003.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor [verweerder] door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 februari 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 april 2009.