ECLI:NL:HR:2009:BH4047
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aansprakelijkheid en inning douaneschuld bij onttrekking aan douanetoezicht
Belanghebbende was chauffeur van een vrachtwagen die sweatshirts onder douaneverband van Nederland naar Zwitserland vervoerde. De goederen werden echter aan het douanetoezicht onttrokken. De Inspecteur stelde belanghebbende aansprakelijk voor de ontstane douaneschuld. Noch aan de aangever, noch aan belanghebbende werd meegedeeld dat het vervoersdocument en de goederen het kantoor van bestemming niet hadden bereikt, noch kregen zij de mogelijkheid bewijs te leveren over de regelmatigheid van het vervoer of de plaats van de onttrekking.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de douaneschuld niet van andere schuldenaren dan de aangever geïnd kan worden, mede gelet op jurisprudentie van het HvJ EG die het recht van de aangever op het kenbaar maken van zijn standpunt voor de invordering benadrukt. Het Hof vernietigde de aanslagen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie tegen deze uitspraak met het middel dat het Hof ten onrechte oordeelde dat de douaneschuld niet bij andere schuldenaren geïnd kan worden. De A-G constateerde dat de communautaire regelgeving uit de jaren 90 voorschrijft dat bij onduidelijkheid over de plaats van onttrekking de schuld geacht wordt te zijn ontstaan in de lidstaat van vertrek, tenzij binnen drie maanden bewijs wordt geleverd. De jurisprudentie van het HvJ EG beschermt vooral het recht van de aangever om zijn standpunt kenbaar te maken, maar laat onduidelijk of dit ook geldt voor andere schuldenaren.
De A-G concludeerde dat de uitlegging van de communautaire bepalingen onzeker is en stelde voor een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ EG. De uitspraak wordt niet gepubliceerd.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt voor een prejudiciële vraag aan het HvJ EG te stellen over de uitleg van de communautaire bepalingen omtrent inning van douaneschuld.