ECLI:NL:HR:2009:BH6530
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing co-ouderschapsverzoek na geschil over verblijfsregeling minderjarige
De vader verzocht bij de rechtbank Utrecht om een regeling waarbij hij en de moeder in gelijke delen zouden voorzien in de opvoeding en verzorging van hun minderjarige zoon, met een verblijfsregeling van om de week bij elk van hen en een verdeling van de schoolvakanties.
De rechtbank kende de vader omgang toe van woensdagavond tot zaterdagavond en de helft van de schoolvakanties, maar wees een co-ouderschapsregeling niet toe. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de vader af.
De vader stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen cassatiegronden opleveren en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Daarom werd het beroep verworpen.
De uitspraak bevestigt dat de rechter bij geschillen over co-ouderschap en verblijfsregelingen een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het cassatieberoep niet snel wordt toegewezen zonder fundamentele rechtsvragen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vader en bevestigt de afwijzing van zijn verzoek tot co-ouderschap en verblijfsregeling.