ECLI:NL:HR:2009:BH8755
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen boete overtreding identiteitsbewijs
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin een boete van € 60,-, subsidiair 2 dagen hechtenis, werd bevestigd wegens het niet tonen van een identiteitsbewijs. Volgens art. 427 Sv Pro is cassatie tegen arresten inzake overtredingen niet mogelijk indien de opgelegde straf niet hoger is dan een geldboete van € 250,-. Hierdoor werd het cassatieberoep voor zover gericht tegen deze overtreding niet-ontvankelijk verklaard.
De verdediging stelde meerdere middelen van cassatie voor, waarvan het eerste middel niet als middel in de zin van de wet werd erkend en de overige middelen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot nadere motivering, mede gelet op het ontbreken van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Hoewel de redelijke termijn van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep was overschreden, achtte de Hoge Raad dit niet aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de aard en omvang van de opgelegde voorwaardelijke geldboete. Het beroep werd daarom afgewezen en de bestreden beslissing bevestigd.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie tegen de boete voor overtreding identiteitsbewijs en het beroep wordt verder verworpen.