ECLI:NL:HR:2009:BH9030

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03943
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijk opzet toereikend voor bewezenverklaring voorbereidingshandelingen volgens art. 46 Sr

In deze strafzaak stond de vraag centraal of voor het bewijs van het bestanddeel 'opzettelijk' in art. 46 Sr Pro, dat voorbereidingshandelingen strafbaar stelt, voorwaardelijk opzet volstaat of dat een oogmerk vereist is.

De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het voorbereiden van een geweldsincident tegen supporters van ADO/FC Den Haag, waarbij hij onder meer scherpe voorwerpen, een jerrycan benzine en honkbalknuppels bij zich had. Het hof achtte bewezen dat hij deze voorbereidingshandelingen met opzet had verricht, waarbij voorwaardelijk opzet werd aangenomen.

Het cassatiemiddel betoogde dat voorwaardelijk opzet niet toereikend zou zijn en dat een oogmerk bewezen moest worden. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit onjuist is, gelet op de bewoordingen van art. 46 Sr Pro en de wetsgeschiedenis, waarin expliciet is gesteld dat voorwaardelijk opzet voldoende is.

Daarmee verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde de rechtspraak dat voorwaardelijk opzet volstaat voor de bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen onder art. 46 Sr Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; voorwaardelijk opzet is toereikend voor bewezenverklaring voorbereidingshandelingen art. 46 Sr.

Uitspraak

7 juli 2009
Strafkamer
Nr. 08/03943
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 2008, nummer 22/006732-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. van Beest, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte voorwaardelijk opzet toereikend heeft geacht voor de bewezenverklaring.
2.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 10 februari 2006 te Amsterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf, te weten het op 10 februari 2006 te 's-Gravenhage opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan supporters van ADO/FC Den Haag, met een ander opzettelijk
- een routebeschrijving (van de Arena te Amsterdam naar de Moerweg, althans het stadion van ADO/FC Den Haag te 's-Gravenhage) en
- een of meer mes(sen) en/of (andere) (scherpe) steekvoorwerp(en) en
- een jerrycan benzine en
- een of meer honkbalknuppel(s) en/of paraplu(s) en/of (andere) slagvoorwerp(en) kennelijk bestemd tot het (in vereniging) begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad."
2.3. Het bewezenverklaarde is toegesneden op art. 46, eerste lid, Sr waarin, kort gezegd, strafbaar is gesteld het "opzettelijk" plegen van voorbereidingshandelingen. Over dat opzetvereiste houdt de wetsgeschiedenis onder meer het volgende in:
"Ik wijs er nog eens op dat de gangbare opzet-leer ook hier zal gelden. Voorwaardelijk opzet - het handelen, desbewust aanvaardend de aanmerkelijke kans op delictsvoltooiing - is dus voldoende om de strafrechtelijke aansprakelijkheid in te doen treden voor de onvolkomen delictsvorm." (Kamerstukken II 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 16)
2.4. Het middel steunt op de opvatting dat voor het bewijs van het bestanddeel opzettelijk uit art. 46 Sr Pro voorwaardelijk opzet niet toereikend is, doch oogmerk moet worden vastgesteld. Die opvatting is echter, gelet op de bewoordingen van art. 46, eerste lid, Sr en op de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis, onjuist, zodat het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 juli 2009.