ECLI:NL:HR:2009:BH9032
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart uitlevering ontoelaatbaar wegens ontbreken dubbele strafbaarheid bij ontvoering minderjarige
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een vrouw door Canada, die wordt verdacht van het ontvoeren van haar minderjarige kind door het land te verlaten zonder toestemming van de vader. De Canadese rechter had op 25 februari 2005 tijdelijk het gezag aan de moeder toegekend en aan de vader een omgangsrecht verleend. De moeder verliet met het kind Canada omstreeks 18 maart 2005.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat het feit strafbaar was volgens artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafrecht en wees het verweer van de verdediging af. De verdediging stelde dat de moeder het land verliet voordat het verbod daartoe was opgelegd en dat er geen sprake was van strafbaarheid onder Nederlands recht.
De Hoge Raad stelt vast dat de moeder op het moment van vertrek het gezag had en dat de vader slechts een omgangsrecht had. Hierdoor is het feit niet strafbaar volgens artikel 279 Sr Pro, omdat het kind niet onttrokken is aan het gezag. De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en verklaart de uitlevering ontoelaatbaar wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid, zoals vereist in het uitleveringsverdrag tussen Nederland en Canada.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering ontoelaatbaar wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid.