ECLI:NL:HR:2009:BH9946
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepasselijkheid Uitleveringswet versus Overleveringswet bij uitleveringsverzoek
In deze zaak stond centraal of een uitleveringsverzoek van Italië moest worden beoordeeld op grond van de Uitleveringswet (UW) of de Overleveringswet (OLW). Het verzoek was ingediend voordat Italië het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel had geïmplementeerd, maar de rechtbank Maastricht oordeelde dat zij onbevoegd was omdat de OLW van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad stelde vast dat artikel 74 van Pro de OLW geen regeling bevat voor situaties waarin het verzoek binnenkomt vóór implementatie van het Kaderbesluit door de verzoekende staat, maar de implementatie wel plaatsvindt voordat de rechtbank beslist. Redelijke wetstoepassing vereist dat in dat geval de UW van toepassing blijft.
De rechtbank Maastricht had ten onrechte geoordeeld dat zij onbevoegd was. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis en beval dat de opgeëiste persoon wordt opgeroepen voor een zitting bij de Hoge Raad om gehoord te worden over het uitleveringsverzoek.
De uitspraak verduidelijkt de toepasselijkheid van de UW en OLW bij overgangssituaties en benadrukt het belang van een juiste rechtsopvatting bij uitleveringsprocedures binnen de EU.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en bepaalt dat de Uitleveringswet van toepassing blijft, waarna de opgeëiste persoon wordt opgeroepen voor een zitting.