ECLI:NL:HR:2009:BI0565

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42775
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:56 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak wegens niet in acht nemen termijn uitnodiging mondelinge behandeling in WOZ-zaak

Belanghebbende maakte bezwaar tegen beschikkingen van de gemeente Delft waarin de waarde van onroerende zaken was vastgesteld voor de periode 2001-2004. Na handhaving van de beschikkingen door de heffingsambtenaar, verklaarde het hof het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof de termijn van ten minste drie weken voor het uitnodigen van belanghebbende voor de mondelinge behandeling niet in acht had genomen, zoals vereist in artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende was niet verschenen op de zitting van 4 oktober 2005, waarvoor hij op 14 september was uitgenodigd.

Omdat deze schending van de termijnregel het recht op een behoorlijke behandeling van het bezwaar aantastte, vernietigde de Hoge Raad het hofarrest, behoudens de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens niet in acht nemen termijn uitnodiging mondelinge behandeling en verwijst zaak terug naar gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

Nr. 42.775
10 april 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 januari 2006, nr. BK-04/02962, betreffende beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Het geding in feitelijke instantie
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikkingen de waarde van de onroerende zaken a-straat 1 en a-straat 2 te Z voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Delft bij in één geschrift vervatte uitspraken de beschikkingen gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Nu het verweerschrift en het incidentele beroep bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn zijn ingediend, slaat de Hoge Raad op deze stukken geen acht.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. 's Hofs uitspraak vermeldt onder 2.2 dat belanghebbende op 14 september 2005 is uitgenodigd om te verschijnen ter zitting van 4 oktober 2005. Belanghebbende is niet verschenen. Het Hof heeft vervolgens uitspraak gedaan.
3.2. Uit de zojuist vermelde feiten volgt dat belanghebbende er terecht over klaagt dat het Hof bij de toezending van de uitnodiging voor de zitting de termijn van ten minste drie weken als bedoeld in artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet in acht heeft genomen.
3.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling van en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2009.