ECLI:NL:HR:2009:BI1171
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Nietigheid dagvaarding en uitleg telastlegging bepaald feit bij smaad
In deze zaak stond de vraag centraal of de dagvaarding nietig verklaard kon worden wegens innerlijke tegenstrijdigheid en onvoldoende feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedragingen. De Hoge Raad stelde vast dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht, omdat dit samenhangt met feitelijke waarderingen die niet in cassatie aan de orde kunnen komen.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de uitleg van het begrip 'telastlegging van een bepaald feit' in art. 261 Sr Pro. Volgens vaste jurisprudentie moet het feit zodanig concreet zijn omschreven dat het een duidelijk te onderkennen gedraging aanwijst. Het hof had geoordeeld dat de verdachte de eer en goede naam van de benadeelde had aangetast door telastlegging van bepaalde feiten, maar de Hoge Raad vond deze feitelijke omschrijvingen onvoldoende concreet en niet zonder meer begrijpelijk.
De feiten betroffen beschuldigingen in geschriften waarin de benadeelde werd aangeduid met termen als 'sadistische genoegen', 'laf dreigement', 'schandvlek op de advocatuur' en 'boef die niet kan spellen'. De Hoge Raad oordeelde dat dit geen voldoende geconcretiseerde gedragingen zijn om te spreken van een telastlegging van een bepaald feit.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling in hoger beroep. De overige middelen behoefden geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende concreetheid van de tenlastelegging.