ECLI:NL:HR:2009:BI1183
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke invorderingsvrijstelling Natuurschoonwet niet van toepassing op onderbedelingsvordering bij nalatenschap
In deze zaak gaat het om de toepassing van de voorwaardelijke invorderingsvrijstelling van artikel 7, lid 1, van de Natuurschoonwet (NSW) op verkrijgingen uit een nalatenschap. Belanghebbenden, erfgenamen van een nalatenschap waarin een onverdeeld NSW-landgoed was begrepen, hadden aanslagen in het recht van successie ontvangen. Zij deden een beroep op de NSW-faciliteit voor hun verkrijgingen van onderbedelingsvorderingen, maar de Inspecteur stelde zich op het standpunt dat deze faciliteit niet op hen van toepassing was.
De rechtbank en het hof bevestigden het standpunt van de Inspecteur, stellende dat de NSW-faciliteit beperkt is tot de verkrijging van een landgoed zelf en niet ziet op vorderingen die verband houden met het landgoed. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg. Hoewel het doel van de faciliteit is om te voorkomen dat landgoederen door successierechten uiteenvallen, is de tekst en het systeem van de NSW hier duidelijk: de vrijstelling geldt alleen voor verkrijgingen van onroerende zaken, niet voor onderbedelingsvorderingen.
De Hoge Raad benadrukt dat een uitbreiding van de faciliteit naar onderbedelingsvorderingen alleen via een wetswijziging kan plaatsvinden. De belangen van de verkrijger van het landgoed en de andere erfgenamen worden in de huidige wettelijke regeling onderscheiden en dit systeem mag niet zonder wettelijke grondslag worden doorbroken. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de NSW-faciliteit niet van toepassing is op onderbedelingsvorderingen.