ECLI:NL:HR:2009:BI1308

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01889/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bijzondere voorwaarde teruggeven gestolen hond in strafzaak

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte het door hem gestolen hondje teruggeeft aan de eigenaresse. Het hof motiveerde dat deze voorwaarde de verdachte de gelegenheid geeft de schade deels ongedaan te maken.

Verdachte stelde in cassatie dat art. 14c Sr een dergelijke bijzondere voorwaarde niet toestaat. De Hoge Raad verwierp dit middel en oordeelde dat de opvatting onjuist is. Daarnaast vond de Hoge Raad dat het hof zijn beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk heeft genomen en dat feiten en omstandigheden die niet in feitelijke aanleg zijn aangevoerd niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden en heeft daarom ambtshalve de duur van de gevangenisstraf verminderd tot 237 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 237 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat de gestolen hond wordt teruggegeven.

Uitspraak

30 juni 2009
Strafkamer
nr. S 01889/07
EC/SM
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 24 november 2006, nummer 24/001233-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de hoogte van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat door het Hof ten onrechte als bijzondere voorwaarde is gesteld dat een gestolen hond aan de eigenaresse wordt teruggegeven, althans dat dit oordeel nadere motivering behoefde.
2.2. De bestreden uitspraak houdt in:
"Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte het hondje van het slachtoffer heeft gestolen. Om verdachte de gelegenheid te bieden de schade die hij voor het slachtoffer en zijn eigen zoontje heeft aangericht deels ongedaan te maken, zal het hof aan het op te leggen voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte het hondje teruggeeft aan het slachtoffer. Het hof geeft daarbij het openbaar ministerie in overweging te voorzien in de bemiddeling bij deze terugggave.
(...) Het Hof, recht doende op het hoger beroep: (...) veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdachtenvijftig dagen;
beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van negentig dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft
nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde:
dat de veroordeelde binnen een maand na onherroepelijk worden van dit arrest het door hem gestolen hondje, een kruising tussen een Chihuahua en een Yorkshire terriër, zal teruggeven aan de eigenaresse [betrokkene 1]."
2.3. Voor zover het middel berust op de opvatting dat art. 14c Sr een voorwaarde als hier door het Hof is gesteld niet toelaat, faalt het omdat die opvatting onjuist is.
Ook voor het overige slaagt het middel niet. De beslissing van het Hof tot het stellen van de desbetreffende voorwaarde is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Zij kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden met feiten en omstandigheden waarvan niet blijkt dat zij in feitelijke aanleg zijn aangevoerd en waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 258 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 237 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 30 juni 2009.