ECLI:NL:HR:2009:BI2039

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01985
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Hammerstein
  • O. de Savornin Lohman
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene bijstandswetInvoeringswet Wet werk en bijstandArt. 98 Algemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging bijstandsverhaal wegens samenwonen met partner zonder inkomen

De man verzocht de rechtbank om het bijstandsverhaal ten behoeve van zijn gewezen echtgenote, vastgesteld op €255 per maand, te wijzigen of te beëindigen met ingang van 1 juni 2003. De rechtbank wees dit verzoek af, en ook het gerechtshof bekrachtigde deze afwijzing. De man stelde dat sinds januari 2005 sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden omdat hij samenwoonde met een partner zonder inkomen die hij moest onderhouden.

Het hof oordeelde dat de bijdrage was vastgesteld op basis van de verdiencapaciteit van de man en dat de samenwoning geen relevante wijziging van omstandigheden vormde, omdat de man nog steeds over dezelfde verdiencapaciteit beschikte en geen lastenverzwaring had aangetoond.

De Hoge Raad stelde dat het oordeel van het hof onjuist was. De samenwoning met een partner zonder inkomen kan een wijziging van omstandigheden zijn die de draagkracht van de man beïnvloedt en dus een nieuwe beoordeling van de onderhoudsbijdrage vereist. Ook was het oordeel van het hof dat de man geen beroep deed op lastenverzwaring onbegrijpelijk, gezien zijn stelling dat hij de bijdrage niet meer volledig kan betalen vanwege de partner die hij moet onderhouden.

De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeslissing en verwijst zaak terug voor nieuwe beoordeling van bijstandsverhaal wegens samenwonen met partner zonder inkomen.

Uitspraak

10 juli 2009
Eerste Kamer
08/01985
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A. van der Hansz,
t e g e n
REGIONALE SOCIALE DIENST ALBLASSERWAARD-OOST /VIJFHEERENLANDEN,
gevestigd te Gorinchem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [de man] en RSD.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 september 2006 ter griffie van de rechtbank Dordrecht ingediend verzoekschrift heeft [de man] zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de aan hem met ingang van 1 juni 2003 ten behoeve van zijn gewezen echtgenote opgelegde bijstandsverhaal van € 255,-- per maand met ingang van 1 juni 2003 wordt ingetrokken, althans met ingang van de datum van de door de rechtbank te nemen beschikking vast te stellen op nihil, althans dit bedrag zodanig vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren.
RSD heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft, na mondelinge behandeling, bij beschikking van 21 maart 2007 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft [de man] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. RSD heeft het verzoek bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij beschikking van 13 februari 2008, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, de bestreden beschikking bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [de man] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
RSD heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van RSD heeft op 29 april 2009 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [de man] heeft bij het hof aangevoerd dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden ten opzichte van 2005, hierin bestaande dat hij vanaf januari 2005 is gaan samenwonen met een ander en hij deze partner, die geen inkomen heeft, moet onderhouden.
3.2 Het hof heeft geoordeeld dat in de beschikking van 2005 ervan is uitgegaan dat [de man] alleenstaand was, zodat de gestelde samenwoning een wijziging van omstandigheden oplevert (rov. 19). Vervolgens heeft het hof overwogen dat in 2005 is geoordeeld dat [de man] voldoende verdiencapaciteit heeft om de vastgestelde bijdrage te betalen (rov. 20). Hieraan verbond het hof de conclusie dat de beschikking van 2005 is gebaseerd op de verdiencapaciteit van [de man], zodat de door hem vermelde omstandigheden geen rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden zijn. Daarvan zou slechts sprake kunnen zijn als [de man] niet meer over dezelfde verdiencapaciteit zou kunnen beschikken. Nu [de man] volgens het hof ook geen wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn lasten, gaat het hof ervan uit dat hij voldoende draagkracht had om de vastgestelde bijdrage van € 255,-- per maand te voldoen (rov. 21).
3.3 Het oordeel van het hof dat de door [de man] gestelde samenleving geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert omdat de bijdrage was vastgesteld op voldoende verdiencapaciteit van [de man], is onjuist. De gestelde samenleving is immers een wijziging van omstandigheden die tot gevolg kan hebben dat [de man] niet langer in staat is de bijdrage (geheel of gedeeltelijk te voldoen), en deze wijziging noopt dus tot een nieuwe beoordeling van de onderhoudsbijdrage.
3.4 Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat [de man] geen beroep heeft gedaan op een lastenverzwaring aan zijn zijde, is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de door het hof in zijn beschikking vermelde stelling van [de man] dat hij de bijdrage niet meer (volledig) kan betalen omdat hij een partner tot zijn last heeft.
3.5 De hierop gerichte klachten treffen dus doel.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 februari 2008;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.