ECLI:NL:HR:2009:BI2929

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11265
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Invorderingswet 1990Art. 30 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen toerekening invorderingsrente

Belanghebbende verrichtte een betaling die deels als belasting en deels als invorderingsrente werd aangemerkt door de ontvanger. Tegen de beschikking waarin de invorderingsrente werd vastgesteld, maakte belanghebbende bezwaar. De ontvanger handhaafde de beschikking, maar het hof verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet strekte tot verlaging van het bedrag invorderingsrente.

Belanghebbende stelde dat een groter deel van de betaling als invorderingsrente moest worden aangemerkt, maar de Hoge Raad oordeelde dat tegen de wijze van toerekening geen bezwaar mogelijk is. Het rechtsmiddel van bezwaar is beperkt tot het aanvechten van het vastgestelde bedrag invorderingsrente.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk geacht.

Uitspraak

Nr. 07/11265
8 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 juli 2007, nr. 196/01, betreffenden een beschikking invorderingsrechte d.d. 3 januari 2001.
1. Het geding in feitelijke instantie
Naar aanleiding van een door belanghebbende gedane betaling is bij beschikking de in rekening gebrachte invorderingsrente vastgesteld.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Ontvanger heeft bij uitspraak beslist dat de beschikking invorderingsrente wordt gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd en het bezwaar van belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
Indien de ontvanger het bedrag dat de belastingschuldige aan hem betaald heeft voor een deel als belasting aanmerkt, en voor het overige als invorderingsrente, staat alleen bezwaar open tegen de beschikking waarbij het bedrag van de betaalde invorderingsrente wordt vastgesteld (artikel 30, lid 1, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990). Het rechtsmiddel van bezwaar tegen een dergelijke beschikking is slechts opengesteld om de ontvanger te doen beslissen of het bedrag van de invorderingsrente moet worden verlaagd. Voor zover belanghebbendes bezwaar was gericht tegen de voormelde beschikking had de Ontvanger belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren in diens bezwaar, nu dat niet strekte tot verlaging van het bedrag van de invorderingsrente (vgl. HR 9 november 1983, nr. 22098, BNB 1984/227). Belanghebbende bepleitte immers juist dat een groter deel van het door hem betaalde bedrag als invorderingsrente zou moeten worden aangemerkt.
Voor zover belanghebbendes bezwaar was gericht tegen die wijze van toerekening is het eveneens niet-ontvankelijk, omdat tegen die beslissing geen bezwaar (en beroep bij de belastingrechter) openstaat.
De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009.