ECLI:NL:HR:2009:BI2929

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11265
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over invorderingsrente en bezwaar bij belastingrechter

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van belanghebbende X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 juli 2007, nr. 196/01, betreffende een beschikking invorderingsrente d.d. 3 januari 2001. De zaak is ontstaan naar aanleiding van een door belanghebbende gedane betaling, waarbij de in rekening gebrachte invorderingsrente is vastgesteld. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking, maar de Ontvanger heeft besloten de beschikking te handhaven. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de uitspraak van de Ontvanger vernietigd, maar het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Hierop heeft belanghebbende cassatie ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat indien de ontvanger een deel van het betaalde bedrag als belasting aanmerkt en het overige als invorderingsrente, er alleen bezwaar openstaat tegen de beschikking die het bedrag van de invorderingsrente vaststelt. Dit rechtsmiddel is enkel bedoeld om de ontvanger te laten beslissen of het bedrag van de invorderingsrente moet worden verlaagd. Aangezien het bezwaar van belanghebbende niet gericht was op verlaging van de invorderingsrente, maar op een grotere toerekening van het betaalde bedrag als invorderingsrente, had de Ontvanger belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn bezwaar.

De Hoge Raad concludeert dat het bezwaar van belanghebbende tegen de wijze van toerekening eveneens niet-ontvankelijk is, omdat hiertegen geen bezwaar of beroep bij de belastingrechter openstaat. De klachten van belanghebbende kunnen derhalve niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Dit arrest is gewezen op 8 mei 2009.

Uitspraak

Nr. 07/11265
8 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 juli 2007, nr. 196/01, betreffenden een beschikking invorderingsrechte d.d. 3 januari 2001.
1. Het geding in feitelijke instantie
Naar aanleiding van een door belanghebbende gedane betaling is bij beschikking de in rekening gebrachte invorderingsrente vastgesteld.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Ontvanger heeft bij uitspraak beslist dat de beschikking invorderingsrente wordt gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd en het bezwaar van belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
Indien de ontvanger het bedrag dat de belastingschuldige aan hem betaald heeft voor een deel als belasting aanmerkt, en voor het overige als invorderingsrente, staat alleen bezwaar open tegen de beschikking waarbij het bedrag van de betaalde invorderingsrente wordt vastgesteld (artikel 30, lid 1, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990). Het rechtsmiddel van bezwaar tegen een dergelijke beschikking is slechts opengesteld om de ontvanger te doen beslissen of het bedrag van de invorderingsrente moet worden verlaagd. Voor zover belanghebbendes bezwaar was gericht tegen de voormelde beschikking had de Ontvanger belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren in diens bezwaar, nu dat niet strekte tot verlaging van het bedrag van de invorderingsrente (vgl. HR 9 november 1983, nr. 22098, BNB 1984/227). Belanghebbende bepleitte immers juist dat een groter deel van het door hem betaalde bedrag als invorderingsrente zou moeten worden aangemerkt.
Voor zover belanghebbendes bezwaar was gericht tegen die wijze van toerekening is het eveneens niet-ontvankelijk, omdat tegen die beslissing geen bezwaar (en beroep bij de belastingrechter) openstaat.
De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009.