ECLI:NL:HR:2009:BI2933

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01023
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 Wet IB 1964Art. 6 Wet IB 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering geruisloze inbreng bij overdracht onderneming aan dochter en haar echtgenoot

Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden een restaurant via een vennootschap onder firma (VOF 1) en waren eigenaar van het bedrijfspand en de inventaris. Zij richtten samen met hun dochter een nieuwe vennootschap onder firma (VOF 2) op, waarbij de dochter en haar echtgenoot uiteindelijk de exploitatie voortzetten.

De ouders brachten hun subjectieve ondernemingen in een beheer-BV in, gevolgd door overdracht van activa en passiva aan een exploitatie-BV. De Inspecteur weigerde de toepassing van de geruisloze inbreng conform artikel 18, lid 1, Wet IB 1964, omdat de inbreng deel uitmaakte van een reeks rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.

Het Hof oordeelde dat de inbreng inderdaad onderdeel was van deze overdracht en wees het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verhuur van het pand en de goodwill door de BV's niet in de weg staat aan de kwalificatie van overdracht. Het oordeel van het Hof is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de weigering van de geruisloze inbreng.

Uitspraak

Nr. 08/01023
8 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2008, nr. 05/00428, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 18, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
1. Het geding in feitelijke instantie
Ten aanzien van belanghebbende heeft de Inspecteur bij beschikking toepassing van het bepaalde in artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) geweigerd, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende en zijn echtgenote waren de twee firmanten in een vennootschap onder firma (hierna: VOF 1) die een restaurant exploiteerde te Q. Belanghebbende en zijn echtgenote (hierna ook: de ouders) waren eigenaar van het bedrijfspand en van de inventaris van het restaurant.
3.1.2. In december 1998 zijn belanghebbende, zijn echtgenote en hun dochter overeengekomen een vennootschap onder firma (hierna: VOF 2) te zullen oprichten. In de overeenkomst is bepaald dat VOF 2 wordt aangegaan vanaf 1 april 1999 en dat vennoten zijn de door belanghebbende en zijn echtgenote op te richten BV en de dochter. Voorts is in de overeenkomst bepaald dat VOF 2 het bedrijfspand, de inventaris en de goodwill zal huren van de hiervoor bedoelde BV (i.o.).
3.1.3. Op 1 februari 2000 zijn door de ouders opgericht D Beheer B.V. (hierna: Beheer BV) en Restaurant E B.V. (hierna: Restaurant BV). De ouders hebben hun subjectieve ondernemingen, bestaande uit hun deelgerechtigdheid in het vermogen van VOF 1, per 1 februari 2000 ingebracht in Beheer BV. De inbreng in Beheer BV is gevolgd door de overdracht tegen uitreiking van aandelen van de activa en passiva van de ingebrachte onderneming, met uitzondering van het bedrijfspand, aan Restaurant BV.
3.1.4. In februari 2000 is de akte van oprichting van VOF 2 getekend. Vennoten van VOF 2 zijn Restaurant BV en de dochter, alsmede de echtgenoot van de dochter. VOF 2 huurt het pand, de inventaris en de goodwill van de BV's (i.o.).
3.1.5. Bij brief van 13 juli 2000 is namens de directie van Beheer BV verzocht om toepassing van artikel 18, lid 1, van de Wet (de zogenoemde geruisloze inbreng) ten aanzien van de hiervoor in 3.1.3 bedoelde inbreng. De toepassing van dit artikel is door de Inspecteur geweigerd bij beschikking van 5 februari 2003.
3.1.6. Per 1 april 2001 is VOF 2 ontbonden en hebben de dochter en haar echtgenoot de exploitatie van de onderneming van VOF 2 met de daaraan verbonden activa en passiva voortgezet. De dochter en haar echtgenoot hebben de huur van het pand, de inventaris en de goodwill voortgezet.
4.1. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat voorafgaand aan en ten tijde van de inbreng van de door belanghebbende en zijn echtgenote in firmaverband gedreven onderneming in Beheer BV, belanghebbende, zijn echtgenote, hun dochter en haar echtgenoot reeds hadden afgesproken om de exploitatie van de onderneming op korte termijn te laten voortzetten door de dochter en haar echtgenoot. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de inbreng van de onderhavige onderneming in Beheer BV deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.
4.2. Middelonderdeel C betoogt dat in het licht van de constatering dat de BV's huurinkomsten ontvingen ter zake van het bedrijfspand, inventaris en goodwill, 's Hofs oordeel dat sprake zou zijn van een overdracht van de onderneming onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het Hof had - aldus het middel - voor het oordeel dat de Inspecteur het verzoek om geruisloze inbreng terecht heeft afgewezen, moeten vaststellen dat hetgeen bij de BV's achterbleef na de ontbinding van VOF 1 niet kon worden aangemerkt als een 'onderneming' in de zin van artikel 6 van Pro de Wet.
4.3. 's Hofs hiervoor in 4.1 weergegeven oordeel moet kennelijk zo worden verstaan dat de verhuur door de BV's (i.o.) van het bedrijfspand, de inventaris en de goodwill van de onderneming niet eraan in de weg staat dat de inbreng deel uitmaakte van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot. Aldus verstaan geeft het oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan het oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Reeds op grond van het vorenstaande faalt het middelonderdeel.
4.4. Het middel faalt eveneens voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2009.