ECLI:NL:HR:2009:BI2933
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering geruisloze inbreng bij overdracht onderneming aan dochter en haar echtgenoot
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden een restaurant via een vennootschap onder firma (VOF 1) en waren eigenaar van het bedrijfspand en de inventaris. Zij richtten samen met hun dochter een nieuwe vennootschap onder firma (VOF 2) op, waarbij de dochter en haar echtgenoot uiteindelijk de exploitatie voortzetten.
De ouders brachten hun subjectieve ondernemingen in een beheer-BV in, gevolgd door overdracht van activa en passiva aan een exploitatie-BV. De Inspecteur weigerde de toepassing van de geruisloze inbreng conform artikel 18, lid 1, Wet IB 1964, omdat de inbreng deel uitmaakte van een reeks rechtshandelingen gericht op overdracht van de onderneming aan de dochter en haar echtgenoot.
Het Hof oordeelde dat de inbreng inderdaad onderdeel was van deze overdracht en wees het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verhuur van het pand en de goodwill door de BV's niet in de weg staat aan de kwalificatie van overdracht. Het oordeel van het Hof is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de weigering van de geruisloze inbreng.