ECLI:NL:HR:2009:BI3758

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01277
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.W. van den Berge
  • C.J.J. van Maanen
  • C. Schaap
  • J.W.M. Tijnagel
  • M.W.C. Feteris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67f AWRArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over grove schuld bij fout afdrachtvermindering lage lonen

Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd over het tijdvak 1999-2002 wegens fouten bij de afdrachtvermindering lage lonen (WVA). Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de naheffingsaanslag en vergrijpboete, maar verlaagde de verzuimboete. Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank Arnhem, die de aanslagen en boetes verminderde en de uitspraken van de Inspecteur vernietigde. Het Hof Arnhem bevestigde deze uitspraak.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte een algemene eis stelde dat belanghebbende zich zelf inhoudelijk in de belastingregeling moest verdiepen, ook al werd een deskundige adviseur ingeschakeld. Dit oordeel miskende de jurisprudentie van de Hoge Raad.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor een hernieuwde beoordeling van de vraag of sprake is van grove schuld van belanghebbende. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.

De zaak betreft de toepassing van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (WVA) en de vraag of belanghebbende grove schuld treft voor de onjuiste toepassing daarvan. De Hoge Raad benadrukte dat het inschakelen van een deskundige adviseur in principe voldoende is om grove schuld te ontkennen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

De Hoge Raad bepaalde ook dat de Staat het griffierecht en de helft van de kosten voor rechtsbijstand aan belanghebbende moet vergoeden. Het arrest werd uitgesproken op 15 mei 2009 door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president J.W. van den Berge.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

Nr. 08/01277
15 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 februari 2008, nr. 07/00246, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en boetes opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar, zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur de naheffingsaanslag en de vergrijpboete gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot nihil.
Tegen de uitspraken waarbij de naheffingsaanslag en de vergrijpboete zijn gehandhaafd, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.
De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag en de vergrijpboete verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
De uitspraken van de Rechtbank en het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel III komt op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende grove schuld treft ter zake van de onjuiste toepassing van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA). Aan dat oordeel heeft het Hof in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak onder meer ten grondslag gelegd dat het de taak van belanghebbende, in de persoon van haar directie, is om zo goed als mogelijk op de juiste uitvoering van een regeling als de WVA toe te zien. Dit geldt temeer nu belanghebbende een tamelijk omvangrijk gebruik maakte van de WVA, aldus het Hof.
3.2. Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat hij - al dan niet op grote schaal - gebruik maakt van de desbetreffende regeling, ook niet als het een regeling als de WVA betreft (HR 13 februari 2009, nr. 07/12891, V-N 2009/9.7).
Het Hof heeft dit miskend. In zoverre slaagt het middel.
3.3. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4. Gelet op het hiervoor onder 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde beoordeling van de vraag of het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen is afgedragen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 08/01401 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 433, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.