ECLI:NL:HR:2009:BI3761
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid van belastingschuld bij successierecht na conserverende aanslag
Deze zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over de aftrekbaarheid van een belastingschuld bij de bepaling van het successierecht.
Belanghebbende erfde aandelen van zijn vader, die op het moment van overlijden een aanmerkelijk belang had in een Nederlandse vennootschap. Op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd een fictieve vervreemding van deze aandelen aan belanghebbende aangenomen, waarover een navorderingsaanslag inkomstenbelasting werd opgelegd. Belanghebbende verzocht om uitstel van betaling van deze aanslag, dat werd verleend tot 2011.
Het geschil betrof de vraag of de belastingschuld voortvloeiend uit deze fictieve vervreemding kon worden afgetrokken van de nalatenschap bij de bepaling van het successierecht. Het Hof had dit afgewezen op grond van artikel 20, lid 3, sub b, van de Successiewet 1956. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat deze bepaling ook van toepassing is op belastingschulden die leiden tot een conserverende aanslag, waarvan onder voorwaarden kwijtschelding kan worden verleend na verloop van tijd. Het feit dat het recht op kwijtschelding pas na de ten sterfdage verschuldigde belastingaanslag kan worden ingeroepen, doet hieraan niet af.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de belastingschuld is niet aftrekbaar van de nalatenschap bij de bepaling van het successierecht.