ECLI:NL:HR:2009:BI3761

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41556
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 3 sub b SW 1956Art. 20a lid 3 Wet IB 1964Art. 20a lid 6 letter f Wet IB 1964Art. 53 SW 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbaarheid van belastingschuld bij successierecht na conserverende aanslag

Deze zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over de aftrekbaarheid van een belastingschuld bij de bepaling van het successierecht.

Belanghebbende erfde aandelen van zijn vader, die op het moment van overlijden een aanmerkelijk belang had in een Nederlandse vennootschap. Op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd een fictieve vervreemding van deze aandelen aan belanghebbende aangenomen, waarover een navorderingsaanslag inkomstenbelasting werd opgelegd. Belanghebbende verzocht om uitstel van betaling van deze aanslag, dat werd verleend tot 2011.

Het geschil betrof de vraag of de belastingschuld voortvloeiend uit deze fictieve vervreemding kon worden afgetrokken van de nalatenschap bij de bepaling van het successierecht. Het Hof had dit afgewezen op grond van artikel 20, lid 3, sub b, van de Successiewet 1956. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat deze bepaling ook van toepassing is op belastingschulden die leiden tot een conserverende aanslag, waarvan onder voorwaarden kwijtschelding kan worden verleend na verloop van tijd. Het feit dat het recht op kwijtschelding pas na de ten sterfdage verschuldigde belastingaanslag kan worden ingeroepen, doet hieraan niet af.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de belastingschuld is niet aftrekbaar van de nalatenschap bij de bepaling van het successierecht.

Uitspraak

Nr. 41.556
15 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juni 2004, nr. 03/00778, betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van A, overleden op 6 december 1998, een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 7.042.546, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Op 6 december 1998 overleed A, de vader van belanghebbende (hierna: erflater). Erflater, die de Nederlandse nationaliteit bezat, woonde op het moment van zijn overlijden in Q. Erflater bezat een pakket aandelen in B N.V. (hierna: de N.V.). Die aandelen vormden voor hem een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Belanghebbende was de enige erfgenaam van erflater. Belanghebbende woonde op de sterfdatum in België. Ingevolge artikel 20a, lid 6, letter f, Wet IB 1964 wordt erflater geacht zijn aandelen in de N.V. op het moment onmiddellijk voorafgaand aan zijn overlijden te hebben vervreemd aan zijn erfgenaam, belanghebbende.
3.1.2. Ter zake van (het resultaat van) die (fictieve) vervreemding door erflater aan belanghebbende is ten name van erflater met dagtekening 3 oktober 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting voor het jaar 1998 opgelegd.
3.1.3. Bij brief van 19 november 2002 is door belanghebbende aan de ontvanger der directe belastingen te Q (hierna: de Ontvanger) om uitstel van betaling van die aanslag verzocht. Bij brief van 13 mei 2003 heeft de Ontvanger dat uitstel verleend, tot 17 oktober 2011.
3.2. Tussen partijen is in geschil of de uit artikel 20a, lid 6, letter f, Wet IB 1964 voortvloeiende belastingschuld kan worden afgetrokken van de nalatenschap bij de bepaling van het successierecht dat is verschuldigd ter zake van belanghebbendes erfrechtelijke verkrijging.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 20, lid 3, letter b, van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) aftrek van die belastingschuld niet toelaat. Tegen dat oordeel richten zich de middelen.
3.4.1. Artikel 20, lid 3, letter b, van de SW bepaalt dat belastingschulden niet van de nalatenschap kunnen worden afgetrokken voor zover daarvoor ontheffing kan worden verkregen. De bepaling verhindert aftrek van belastingschulden voor zover ter zake van die schulden een recht op ontheffing geldend kan worden gemaakt (vgl. HR 16 oktober 1996, nr. 30282, BNB 1996/406). Deze bepaling is naar haar strekking eveneens van toepassing op belastingschulden die leiden tot een conserverende aanslag, en waarvan na verloop van tijd onder voorwaarden kwijtschelding kan worden verleend. De tekst van de bepaling laat die uitleg ook toe. Anders dan belanghebbende betoogt, doet aan een en ander niet af dat daartoe een verzoek moet worden gedaan, en evenmin dat het verzoek pas kan worden gedaan - en het recht op kwijtschelding pas geldend kan worden gemaakt - nadat voor de ten sterfdage materieel verschuldigde belasting een belastingaanslag is opgelegd.
3.4.2. Het stelsel van de wet brengt mee dat met de belastingschuld alsnog rekening wordt gehouden op de in artikel 53 van Pro de SW bepaalde wijze indien en voor zover de in de conserverende aanslag belichaamde belastingschuld alsnog invorderbaar wordt.
3.4.3. De middelen, die van een andere, en derhalve onjuiste, rechtsopvatting uitgaan, falen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.