ECLI:NL:HR:2009:BI3762
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid artikel 5a Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
Belanghebbende heeft over het tijdvak juli 2004 een bedrag aan omzetbelasting voldaan en hiertegen bezwaar gemaakt, met het verzoek om teruggaaf. De Inspecteur wees dit verzoek af en het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde het middel dat zich richtte op de vermeende onverbindendheid van artikel 5a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wegens strijd met het gemeenschapsrecht. Dit middel faalde omdat de interpretatie van het gemeenschapsrecht door belanghebbende niet verenigbaar was met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 juli 2008 (fiscale eenheid Koninklijke Ahold N.V., C-484/06).
De Hoge Raad sloot aan bij de jurisprudentie en oordeelde dat het middel geen doel treft. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 15 mei 2009.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en artikel 5a Uitvoeringsbesluit omzetbelasting blijft geldig.