ECLI:NL:HR:2009:BI3778

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43072
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete vennootschapsbelasting wegens overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende, een vennootschap, kreeg over het jaar 1998 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, inclusief een boete. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de navorderingsaanslag niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de boetebeschikking ongegrond. Het Hof verklaarde het beroep tegen deze uitspraken gegrond, vernietigde de uitspraken, handhaafde de navorderingsaanslag en verminderde de boete van ƒ 267.844 tot ƒ 241.059.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond, vernietigde het hofarrest en de inspecteursbesluiten voor zover deze betrekking hadden op de boete, en verminderde de boete ambtshalve tot € 104.369,45 vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

De Hoge Raad oordeelde dat het tijdsverloop van meer dan twaalf maanden sinds het instellen van het cassatieberoep een overschrijding van de redelijke termijn opleverde zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Daarom was een verdere vermindering van de boete op zijn plaats. Er werden geen proceskosten aan de partijen opgelegd.

Uitkomst: De boete werd ambtshalve verminderd tot € 104.369,45 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

nr. 43.072
15 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 januari 2006, nrs. P04/00880 en 04/03400, betreffende een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete.
De Inspecteur heeft bij uitspraken het tegen de navorderingsaanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen de boetebeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken vernietigd, de navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd van ƒ 267.844 tot ƒ 241.059. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2006. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro met meer dan twaalf maanden. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding de boete in dit geval verder te verminderen tot op ƒ 230.000 (€ 104.369,45).
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, doch enkel voor zover deze betrekking hebben op de boete, en
vermindert de boete tot op € 104.369,45.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en
A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.