ECLI:NL:HR:2009:BI3923
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling doorrijden na ongeval wegens onvoldoende bewijs identiteitsoverdracht
Op 27 juni 2006 vond een verkeersongeval plaats in Zwanenburg waarbij verdachte als bestuurder van een witte bestelauto betrokken was. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval had verlaten zonder behoorlijke gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit en die van het voertuig, in strijd met artikel 7 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte stelde dat hij na de aanrijding uit zijn auto was gestapt en had geprobeerd een gesprek aan te gaan met de andere betrokkene, die echter niet wilde communiceren en terugliep naar zijn auto. Deze verklaring werd ondersteund door een getuige. Het hof verwierp dit verweer, maar de Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd was gezien de vastgestelde feiten.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. De Hoge Raad benadrukte dat verdachte op de plaats van het ongeval wel degelijk de gelegenheid had geboden tot vaststelling van zijn identiteit, zodat de strafuitsluitingsgrond van artikel 7 lid 2 WVW Pro van toepassing kan zijn.
De zaak betreft de uitleg en toepassing van de Wegenverkeerswet 1994 omtrent het achterlaten van de plaats van een ongeval en de plicht tot het bekendmaken van identiteit. De Hoge Raad stelt hoge eisen aan de motivering van het oordeel over de naleving van deze plicht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling over de vraag of verdachte behoorlijk gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit.