ECLI:NL:HR:2009:BI4030
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid rechtbank Utrecht bij tenlastelegging in treintraject
In deze strafzaak stond de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Utrecht centraal, waar verdachte werd aangehouden en verhoord na tenlastelegging van seksuele delicten gepleegd in een trein op het traject Almere-Utrecht. Het hof oordeelde dat de rechtbank Utrecht bevoegd was op grond van artikel 2 Wetboek Pro van Strafvordering, omdat verdachte zich daar bevond bij aanvang vervolging.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de clausule 'die binnen welker rechtsgebied de verdachte zich bevindt' in art. 2 Sv Pro onjuist interpreteerde, aangezien dit moet worden begrepen als de locatie waar de verdachte zich bevindt op het moment dat de vervolging wordt aangevangen. Dit leidde echter niet tot cassatie omdat het oordeel van het hof over de bevoegdheid uiteindelijk juist was, mede door beoordeling van de tenlastelegging en de inleidende dagvaarding.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde taakstraf en de mate van overschrijding werden geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden.
Het beroep van verdachte werd verworpen en het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 30 juni 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Utrecht ondanks onjuiste motivering van het hof.