ECLI:NL:HR:2009:BI4725
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vordering benadeelde partij in cassatie over rechtstreekse schade
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het Korps Landelijke Politiediensten en de Regiopolitie Midden- en West-Brabant als benadeelde partijen in een vordering tot schadevergoeding. De verdachte stelde dat deze politiediensten niet rechtstreeks in hun belang waren getroffen, omdat de schade aan politievoertuigen door de Staat werd gedragen.
De Hoge Raad overwoog dat in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd over de ontvankelijkheid van een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij op grond van het ontbreken van rechtstreekse schade. Een dergelijke beoordeling vereist een feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is. Omdat de verdediging deze ontvankelijkheid niet in een eerdere fase had bestreden, faalt dit middel.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar achtte dit gelet op de aard en duur van de opgelegde straf niet aanleiding tot rechtsgevolgen. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontvankelijkheid van de politiediensten in de vordering tot schadevergoeding.