ECLI:NL:HR:2009:BI5923

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04490
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:268 lid 2 onder a BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontheffing van ouderlijk gezag afgewezen door Hoge Raad

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kinderen. Na een hoorzitting op 14 februari 2007 besloot de rechtbank op 21 maart 2007 de moeder te ontheffen en voogden aan te stellen voor de kinderen.

De moeder ging in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en verzocht om vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek tot ontheffing. Het hof bekrachtigde op 30 juli 2008 de beschikking van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep van de moeder, waarmee de ontheffing van het ouderlijk gezag definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontheffing van het ouderlijk gezag.

Uitspraak

10 juli 2009
Eerste Kamer
08/04490
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
vestiging 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 13 oktober 2006 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft de Raad voor de Kinderbescherming zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kinderen, [kind 1] en [kind 2].
Nadat de rechtbank de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, [betrokkene 1], de moeder bijgestaan door haar advocaat, de pleegouders van voornoemde minderjarigen, alsmede vertegenwoordigers van de Stichting Bureau Jeugdzorg en het Leger des Heils op 14 februari 2007 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 21 maart 2007 de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De rechtbank heeft voorts het Leger des Heils benoemd tot voogdes over [kind 1] en de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot voogdes over [kind 2].
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De moeder heeft het hof verzocht, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek tot ontheffing van het ouderlijk gezag wordt afgewezen. Subsidiair verzocht de moeder het Leger des Heils te benoemen als voogdes over beide kinderen.
Bij beschikking van 30 juli 2008 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd en het meer of anders in hoger beroep verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.