ECLI:NL:HR:2009:BI7044
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijs en tegenbewijs bij katvangers in Wegenverkeerswet 1994
In deze zaak stond de vraag centraal of een verdachte, die als katvanger optrad, kan worden beschouwd als eigenaar of houder van een motorvoertuig volgens artikel 1, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte werd door het hof aansprakelijk gehouden voor snelheidsovertredingen met een voertuig waarvan hij het kenteken op zijn naam had staan, ondanks zijn verweer dat hij slechts katvanger was en geen eigenaar of houder.
Het hof oordeelde dat de zinsnede "tenzij anders blijkt" in artikel 1, derde lid, zo moest worden uitgelegd dat tegenbewijs niet mogelijk is indien het aan de verdachte zelf te wijten is dat het kenteken ten onrechte de indruk wekt dat hij eigenaar of houder is. De Hoge Raad verwierp deze uitleg als onjuist, stellende dat de wet en wetsgeschiedenis ruimte bieden voor tegenbewijs.
De Hoge Raad benadrukte dat het kentekenregister in principe bewijs levert van eigendom of houderschap, maar dat dit bewijs kan worden weerlegd door bijzondere omstandigheden of door aannemelijk te maken dat de verdachte geen eigenaar of houder was ten tijde van het delict.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het verweer van de verdachte als katvanger opnieuw moet worden gewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het katvanger-verweer.