ECLI:NL:HR:2009:BI8148

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00588 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid aanvraag tot herziening arrest Hoge Raad wegens ontbreken einduitspraak veroordeling

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest waarbij het cassatieberoep van de aanvraagster was verworpen. De aanvraag betrof geen einduitspraak houdende veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de aanvraag niet-ontvankelijk was.

Ten overvloede overwoog de Hoge Raad dat ook indien de aanvraag betrekking had op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de aanvraagster was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens onttrekking aan het bevoegd opzicht, de aanvraag niet-ontvankelijk zou zijn. Dit omdat de aanvraag geen door bewijsmiddelen gestaafde nieuwe omstandigheden bevatte die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of een lichtere straf zou hebben geleid.

De Hoge Raad verwees naar de wettelijke eisen voor herziening zoals neergelegd in artikel 457 en Pro 459 Sv en concludeerde dat de aanvraag niet voldeed aan deze vereisten. Daarom werd de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk verklaard en werd het arrest van 12 februari 2008 gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een einduitspraak houdende veroordeling en het ontbreken van nieuwe herzieningsgronden.

Uitspraak

16 juni 2009
Strafkamer
nr. 09/00588 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2008, nummer 00434/06, ingediend door:
[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Hoge Raad heeft in zijn arrest het cassatieberoep van de aanvraagster tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 juli 2005 verworpen.
2. De aanvrage tot herziening
De Hoge Raad verstaat het door aanvraagster ingediende "verzetschrift voor herziening van de uitspraak d.d. 12 februari 2009 van de Hoge Raad der Nederlanden" als een aanvrage tot herziening. De aanvrage is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve niet worden ontvangen.
3.2.1. Ten overvloede geldt het volgende. Ook indien met de aanvrage bedoeld zou zijn herziening te vragen van het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 juli 2005, waarbij het Hof de aanvraagster wegens onttrekking van een minderjarige aan het bevoegd opzicht heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week, zou de aanvrage op grond van het navolgende niet kunnen worden ontvangen.
3.2.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2.3. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.2.4. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.2.2 vermeld. De aanvrage zou daarom, ook indien zij betrekking zou hebben op het arrest van het Hof, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet kunnen worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 16 juni 2009.