ECLI:NL:HR:2009:BJ1989
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Geen naheffing over periode voor oprichting van intermediaire onderneming volgens Meststoffenwet
Belanghebbende, een BV opgericht op 27 november 1998, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor de heffing van intermediaire ondernemingen over het gehele jaar 1998. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag gehandhaafd, waarbij het hof oordeelde dat de BV over het hele jaar ondernemer was.
De Hoge Raad stelt dat belanghebbende pas vanaf de datum van oprichting ondernemer is in de zin van artikel 29 van Pro de Meststoffenwet. De heffing over de periode vóór de oprichting, van 1 januari tot 26 november 1998, kan daarom niet op de BV worden nageheven. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wijst ook de proceskosten toe aan belanghebbende en veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de kosten van het cassatieproces. Het arrest benadrukt het belang van de juiste kwalificatie van het ondernemerschapstijdstip voor belastingheffing onder de Meststoffenwet.
Uitkomst: De naheffingsaanslag kan niet worden opgelegd over de periode vóór de oprichting van de BV; het hofarrest wordt vernietigd en de zaak verwezen.