ECLI:NL:HR:2009:BJ2011

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43744
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 Wet Vpb 1969Art. 20b lid 1 Wet Vpb 1969Art. 41 lid 1 Aanvullend Protocol associatieovereenkomst EEG-TurkijeArt. 34 lid 1 Euro-mediterrane overeenkomst Marokko
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling valutaregeling en vrijheid van vestiging bij vennootschapsbelasting

De Inspecteur stelde het verlies van belanghebbende voor het jaar 2001 vast bij beschikking, welke na bezwaar gehandhaafd werd. Belanghebbende ging in beroep bij de Rechtbank, die de uitspraak van de Inspecteur vernietigde en het verlies op een hoger bedrag vaststelde. De Staatssecretaris stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak, terwijl belanghebbende incidenteel beroep in cassatie instelde.

De Rechtbank oordeelde dat de valutaregeling uit artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een nieuwe beperking vormt van de vrijheid van vestiging zoals bedoeld in het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin deze regeling geen rechtvaardigingsgrond kent die het verboden karakter opheft.

In het incidentele beroep stelde belanghebbende dat de beperking niet valt onder het toepassingsgebied van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst met Marokko, omdat het niet ziet op verrichtingen die tot uitdrukking komen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans. De Hoge Raad volgt dit standpunt en verklaart het incidentele beroep ongegrond.

De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond, veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van € 644 en wijst de Staat aan als de partij die deze kosten moet vergoeden. Tevens wordt een griffierecht van € 447 geheven.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en veroordeelt de Staat in de proceskosten.

Uitspraak

nr. 43.744
10 juli 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 31 oktober 2006, nr. AWB 06/3471, betreffende een ten aanzien van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) vastgestelde beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2001, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het verlies vastgesteld op een hoger bedrag. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de sinds 24 december 1996 uit artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) voortvloeiende uitsluiting van de mogelijkheid om - onder omstandigheden die zich in dit geval voordoen - een geleden valutaverlies ten laste van de belastbare winst te brengen (hierna: de valutaregeling), een nieuwe beperking met betrekking tot de vrijheid van vestiging vormt in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, van 23 november 1970, Pb EG 29 december 1972, nr. L 293.
3.2. Bij zijn oordeel is de Rechtbank ervan uitgegaan dat voormeld artikellid van het Aanvullend Protocol rechtstreekse werking heeft zodat belanghebbende zich daarop in rechte kan beroepen, en dat het uit die bepaling voor ieder van de overeenkomstsluitende partijen voortvloeiende verbod, voor zover hier van belang, ziet op beperkingen met betrekking tot de vrijheid van vestiging, die onder het EG-Verdrag zouden gelden als belemmeringen van de vrijheid van vestiging in de zin van het EG-Verdrag. Deze uitgangspunten worden in cassatie terecht niet bestreden.
3.3. Het middel bestrijdt dat de in 1996 ingevoerde valutaregeling een belemmering van de vrijheid van vestiging teweeg brengt, voert aan - voor het geval dit anders zou zijn - dat er een rechtvaardigingsgrond bestaat die aan deze belemmering het verboden karakter ontneemt, en betoogt ten slotte dat met de valutaregeling geen nieuwe beperking is ingevoerd.
Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2008, nr. 43338, BNB 2009/23.
4. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
Hoewel de uitsluiting van de mogelijkheid voor belanghebbende om de financieringsrente af te trekken van haar Nederlandse belastbare winst het houden van aandelen in een Marokkaanse vennootschap minder aantrekkelijk maakt, heeft deze belemmering geen betrekking op een verrichting die tot uitdrukking komt op de kapitaalrekening van de betalingsbalans, zodat zij valt buiten het bereik van artikel 34, lid 1, van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, van 26 februari 1996, Pb EG 18 maart 2000, nr. L 070. Het middel faalt reeds hierom.
5. Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep zal de Staatssecretaris van Financiën worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2009.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.