ECLI:NL:HR:2009:BJ2819
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij taakstraffen
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2007, waarin taakstraffen van telkens twintig dan wel tien uren zijn opgelegd. De Hoge Raad beoordeelt de middelen van cassatie en constateert dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Het derde middel voldoet niet aan de vereisten voor een middel in cassatie en blijft daarom onbesproken.
De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, aangezien meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gezien de aard en duur van de opgelegde taakstraffen en de mate van termijnoverschrijding, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden.
Daarom volstaat de Hoge Raad met de constatering van de overschrijding en verwerpt het beroep van verdachte. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 29 september 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en constateert overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolgen.