ECLI:NL:HR:2009:BJ2819

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00718
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij taakstraffen

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2007, waarin taakstraffen van telkens twintig dan wel tien uren zijn opgelegd. De Hoge Raad beoordeelt de middelen van cassatie en constateert dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Het derde middel voldoet niet aan de vereisten voor een middel in cassatie en blijft daarom onbesproken.

De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, aangezien meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gezien de aard en duur van de opgelegde taakstraffen en de mate van termijnoverschrijding, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden.

Daarom volstaat de Hoge Raad met de constatering van de overschrijding en verwerpt het beroep van verdachte. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 29 september 2009.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en constateert overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolgen.

Uitspraak

29 september 2009
Strafkamer
nr. 08/00718
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juli 2007, nummer 21/000753-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.J. Hes, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraffen in de vorm van een werkstraf voor de duur van telkens twintig dan wel tien uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 september 2009.