ECLI:NL:HR:2009:BJ3043
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over cassatiedagvaarding aan overledene in plaats van erfgenamen
In deze zaak stond centraal of een cassatiedagvaarding die was uitgebracht aan een overledene in plaats van aan diens erfgenamen, kon leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De procedure betrof een civiele zaak waarin eiseres schadevergoeding vorderde wegens toerekenbare tekortkoming. Na diverse vonnissen en hoger beroep werd het geschil uiteindelijk aan de Hoge Raad voorgelegd.
De Hoge Raad stelde vast dat de dagvaarding was betekend aan het kantoor van de procureur bij wie de overledene laatstelijk woonplaats had gekozen, conform artikel 53, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hoewel de dagvaarding aan de overledene was gericht, was het evident dat sprake was van een vergissing en dat de dagvaarding bedoeld was voor de gezamenlijke erfgenamen.
De Hoge Raad kwam daarom terug op een eerdere uitspraak uit 2004 en oordeelde dat deze vergissing niet tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep leidt. De zaak werd verwezen naar de rol voor nadere conclusies van het parket. Hiermee werd bevestigd dat formele fouten in de naam van de gedaagde niet automatisch leiden tot niet-ontvankelijkheid indien de wettelijke eisen verder zijn nageleefd en de vergissing evident is.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een cassatiedagvaarding aan een overledene in plaats van aan diens erfgenamen geen niet-ontvankelijkheid tot gevolg heeft bij een evidente vergissing.