ECLI:NL:HR:2009:BJ3665
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor het zonder bevoegdheid voeren van de titel advocaat na schrapping uit tableau
Verdachte, een voormalig advocaat, was op 27 februari 2004 van het tableau geschrapt na een schorsing van zes maanden opgelegd door de Raad van Discipline. Desondanks trad hij op 29 oktober 2004 in een civiele procedure voor de rechtbank Den Haag op als advocaat, verscheen in toga, voerde het woord en overhandigde een pleitnota met zijn naam als advocaat. Tevens hield hij zijn onderneming vermeld als advocatenkantoor in de telefoongids en de Gouden Gids in de periode van 2005 tot 2006.
Het hof verklaarde deze feiten bewezen en verwierp het verweer van verdachte dat hij mogelijk in het buitenland bevoegd zou zijn tot het voeren van de titel advocaat, een stelling die verdachte niet aannemelijk had gemaakt. De Hoge Raad oordeelde dat voor de bewezenverklaring niet vereist is dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet in het buitenland bevoegd is, en bevestigde de motivering van het hof.
Het cassatieberoep faalde en werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voerde, in strijd met artikel 435 Sr Pro jo. artikel 9a Advocatenwet. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van de regels omtrent het voeren van de titel advocaat en de bewijslast die daarbij geldt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het zonder bevoegdheid voeren van de titel advocaat.