ECLI:NL:HR:2009:BJ5201

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43919
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieInvorderingswet 1990
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mededeling niet verder bemoeilijken belastingschuld geen kwijtschelding

Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor omzet- en loonbelasting die door een derde verschuldigd was. Na bezwaar handhaafde de ontvanger de beschikking, maar het hof vernietigde deze en verminderde de aansprakelijkstelling. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest.

De Hoge Raad behandelde onder meer het middel dat stelde dat de mededeling van de ontvanger dat niet verder wordt bemoeilijkt gelijk zou moeten staan aan kwijtschelding van de belastingschuld, waardoor aansprakelijkheid zou vervallen. Dit middel werd verworpen: een dergelijke mededeling leidt niet tot het verdwijnen van de schuld of het ontbreken van betalingsverzuim.

De overige middelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat zij niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad wees het beroep af en sprak geen proceskosten toe.

Dit arrest bevestigt dat een ontvanger door het niet verder bemoeilijken van een belastingschuldige niet automatisch afstand doet van de vordering of de aansprakelijkheid vermindert.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de mededeling niet verder te bemoeilijken leidt niet tot kwijtschelding van de belastingschuld.

Uitspraak

nr. 43.919
14 augustus 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 januari 2007, nr. BK-04/00938, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1. Het geding in feitelijke instantie
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 7 februari 2003 aansprakelijk gesteld voor door A te Q (h.o.d.n. B) verschuldigde omzetbelasting en loonbelasting, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd en de aansprakelijkstelling verminderd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door mr. J.A. Booij, advocaat te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het negende middel berust onder meer op de opvatting dat het niet verder bemoeilijken van een belastingschuldige gelijk moet worden gesteld met kwijtschelding van de belastingschuld, met als gevolg dat er geen grond meer bestaat voor aansprakelijkheid. Dit middel faalt. Indien de ontvanger aan een belastingschuldige die in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld meedeelt dat hij hem niet verder zal bemoeilijken, heeft dit niet tot gevolg dat die belastingschuld ophoudt te bestaan. Evenmin leidt een dergelijke mededeling ertoe dat de belastingschuldige niet langer in gebreke is.
3.2. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2009.