ECLI:NL:HR:2009:BJ6835

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12648
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest inzake merkgebruik door erkende en niet erkende wederverkopers

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 10 juli 2009 een arrest uitgesproken waarin door een misslag de termen 'erkende wederverkoper' en 'niet erkende wederverkoper' op drie plaatsen in overweging 3.6 waren verwisseld. Dit arrest is op 4 september 2009 hersteld. De Hoge Raad verduidelijkt dat er geen rechtsgrond bestaat voor een strengere toets aan het gebruik van het merk door de niet erkende wederverkoper dan door de erkende wederverkoper.

De Hoge Raad verwijst naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) omtrent de uitputtingsregel, waarin geen aanknopingspunt wordt gevonden voor een noodzakelijkheidseis of een strengere toets voor niet erkende wederverkopers. Het gebruik van het merk door wederverkopers is vrij, mits het geen afbreuk doet aan de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder.

De Hoge Raad wijst ook het subsidiaire middel af dat een zwaardere toets voor het gebruik van het beeldmerk zou moeten gelden. Voldoende is dat het gebruik wordt getoetst aan de eisen die het HvJEG heeft ontwikkeld voor gegronde redenen. Er is geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEG over de uitleg van het toepasselijke gemeenschapsrecht.

Het arrest bevestigt daarmee het uitgangspunt dat de niet erkende wederverkoper niet aan strengere regels gebonden is dan de erkende wederverkoper, en corrigeert de terminologische fouten in het eerdere arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt terminologische fouten en bevestigt dat niet erkende wederverkopers niet aan strengere regels zijn gebonden dan erkende wederverkopers bij merkgebruik.

Uitspraak

4 september 2009
Eerste Kamer
07/12648
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. de vennootschap naar vreemd recht G-STAR INTERNATIONAL LTD.,
gevestigd te Hong Kong, volksrepubliek China,
2. G-STAR INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaten: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt en mr. G. van der Wal,
t e g e n
METRO CASH & CARRY NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
1. Het arrest in dit geding
1.1 De Hoge Raad heeft in deze zaak op 10 juli 2009 een arrest uitgesproken. Daarin zijn in overweging 3.6 als gevolg van een misslag op drie plaatsen de woorden 'erkende wederverkoper' en 'niet erkende wederverkoper' verwisseld.
De Hoge Raad zal deze misslag herstellen. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich omtrent dit herstel uit te laten.
1.2 Overweging 3.6 van het arrest van 10 juli 2009 dient als volgt te worden gelezen:
3.6 Anders dan de onderdelen betogen bestaat voor een verdergaande toetsing, in het bijzonder aan de maatstaf dat het gebruik van het merk door de wederverkoper noodzakelijk moet zijn, geen rechtsgrond. Voor het bestaan van de "leidende gedachte" als bedoeld in onderdeel 1.1 is geen steun te vinden in de jurisprudentie van het HvJEG omtrent de uitputtingsregel. Niet in te zien valt dat deze jurisprudentie ruimte zou laten voor de noodzakelijkheidseis die G-Star gesteld wil zien. Deze eis volgt niet uit de algemene loyaliteitseis zoals deze door het HvJEG nader is ingevuld. Zij is niet in overeenstemming met het uitgangspunt in de jurisprudentie van het HvJEG omtrent de uitputtingsregel dat de niet erkende wederverkoper vrij is het merk te gebruiken mits dit - kort gezegd - geen afbreuk doet aan de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder. In die jurisprudentie is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de in de onderdelen besloten liggende opvatting dat het gebruik van het merk door de niet erkende wederverkoper terughoudender zou moeten zijn dan dat van de erkende wederverkoper. Uit hetgeen in het arrest Dior/Evora (rov. 37) is overwogen volgt immers juist dat door het maken van een dergelijk verschil de doelstelling van de uitputtingsregel in gevaar kan worden gebracht, hetgeen veeleer ertoe noopt de niet erkende wederverkoper ten aanzien van het gebruik van het merk niet aan strengere regels te binden dan de wel erkende. De in het middel subsidiair voorgestane opvatting dat voor het gebruik van het beeldmerk wel een zwaardere toets moet worden aangelegd, kan evenmin worden aanvaard. Voldoende is dat het gebruik van een beeldmerk door een wederverkoper van waren ten aanzien waarvan het merkrecht is uitgeput, wordt getoetst aan de eisen die in de rechtspraak van het HvJEG zijn ontwikkeld voor de "gegronde redenen", zoals hiervoor in 3.5 samengevat.
Bij gebreke van redelijke twijfel over de uitleg van het te dezen van toepassing zijnde gemeenschapsrecht, behoeven over dit een en ander ook geen prejudiciële vragen te worden gesteld aan het HvJEG.
Beide onderdelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.
2. Beslissing
De Hoge Raad:
verbetert de bovenvermelde fouten in het op 10 juli 2009 in deze zaak uitgesproken arrest;
stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer E.J. Numann op 4 september 2009.