ECLI:NL:HR:2009:BJ7085
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken einduitspraak
Op 8 september 2009 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een aanvraag tot herziening van een beslissing van de Politierechter in Rotterdam van 7 januari 2009. De aangevraagde herziening betrof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken die was opgelegd bij vonnis van 6 juli 2006.
De Hoge Raad oordeelde dat de beslissing van 7 januari 2009 geen einduitspraak was in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar een tussentijdse beslissing op een vordering van het openbaar ministerie zoals bedoeld in artikel 14g Sr. Hierdoor kon het verzoek tot herziening niet worden ontvangen.
De Hoge Raad verwees daarbij naar eerdere jurisprudentie (HR 28 november 2006, LJN AZ4421) ter onderbouwing van zijn oordeel. De Hoge Raad verklaarde de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en wees het verzoek af.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een einduitspraak.