ECLI:NL:HR:2009:BJ7993
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij dwangbevel na niet-naleving consignatieplicht
De veroordeelde is bij vonnis van de Politierechter veroordeeld tot een geldboete en subsidiair hechtenis. Het vonnis werd ter executie overgedragen aan het CJIB, dat een dwangbevel uitvaardigde. Tegen dit dwangbevel kwam de veroordeelde in verzet, maar werd niet-ontvankelijk verklaard. Het cassatieberoep richt zich tegen deze niet-ontvankelijkheid.
Volgens art. 575, derde lid, Sv is een veroordeelde in cassatie slechts ontvankelijk indien vooraf het nog verschuldigde bedrag en griffiekosten zijn voldaan door consignatie. Uit het dossier bleek niet dat de veroordeelde op deze verplichting was gewezen of dat zij daaraan had voldaan.
De Hoge Raad besluit de veroordeelde alsnog in de gelegenheid te stellen binnen veertien dagen na schriftelijke aanmaning van de griffier van de Rechtbank Amsterdam het nader te bepalen bedrag te consigneren. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze consignatie heeft plaatsgevonden.
Uitkomst: Veroordeelde wordt alsnog in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te consigneren waarna verdere beslissing wordt aangehouden.