ECLI:NL:HR:2009:BJ8624

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12976
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408a SvArt. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheid uitreiking appeldagvaarding door griffiemedewerker

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam over de geldigheid van de uitreiking van een appeldagvaarding ex art. 408a Sv door een griffiemedewerker.

De raadsman van verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, maar deze konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad achtte nadere motivering niet nodig omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde boete van €370,- waarvan €185,- voorwaardelijk, achtte de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen op 17 november 2009.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; de geldigheid van de uitreiking van de appeldagvaarding wordt bevestigd.

Uitspraak

17 november 2009
Strafkamer
nr. 07/12976
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 oktober 2007, nummer 23/002020-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde boete van € 370,-, waarvan € 185,- voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 17 november 2009.