ECLI:NL:HR:2009:BJ8624
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid uitreiking appeldagvaarding door griffiemedewerker
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam over de geldigheid van de uitreiking van een appeldagvaarding ex art. 408a Sv door een griffiemedewerker.
De raadsman van verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, maar deze konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad achtte nadere motivering niet nodig omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde boete van €370,- waarvan €185,- voorwaardelijk, achtte de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen op 17 november 2009.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; de geldigheid van de uitreiking van de appeldagvaarding wordt bevestigd.