ECLI:NL:HR:2009:BJ9924
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene in cassatie ging tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden vonnis uitsluitend met betrekking tot de hoogte van het ontnemingsbedrag, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden omdat het geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd het opgelegde bedrag ter ontneming verminderd van € 40.000,- naar € 38.000,-. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de bestreden uitspraak in stand bleef behalve voor het aangepaste ontnemingsbedrag.
De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het arrest werd uitgesproken op 17 november 2009.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming is verminderd tot € 38.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.