2.3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder 3 voorts nog het volgende overwogen:
"De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag aan de verdachte toebehoort en dat dit op reguliere wijze door hem is verkregen en derhalve niet door witwassen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in februari 2005 een geldbedrag van € 20.000,- heeft overgeschreven van zijn rabo-spaarrekening naar zijn gewone rekening en dit bedrag vervolgens contant heeft opgenomen omdat hij een vermogenstoets wilde vermijden waaraan hij zou worden onderworpen in verband met het feit dat de verdachte een bijstandsuitkering wilde aanvragen. Van dit bedrag was volgens verdachte op 22 juni 2006 nog € 7.650,- over. Het hof acht deze verklaring voor de aanwezigheid van voornoemd geldbedrag niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende.
Het in de slaapkamer van de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond voor een aanmerkelijk deel uit kleine coupures (30 biljetten van 20 euro, 44 biljetten van tien euro en twee van vijf euro). Dit is, zonder nadere verklaring op zichzelf bezwaarlijk in overeenstemming te brengen met verdachtes opgave als zou hij dit geld van de bank hebben ontvangen in het kader van een opname ineens van € 20.000,- omdat, naar de ervaring leert en van algemene bekendheid mag worden geacht, uitbetaling door een bank van een dergelijk geldbedrag om doelmatigheidsredenen doorgaans in grotere coupures pleegt te geschieden, tenzij de opnemer uitdrukkelijk anders verlangt. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over dit aspect geen nadere opheldering kunnen verschaffen, bijvoorbeeld door de vraag of hij de bank om uitbetaling in verschillende kleine coupures als bij hem aangetroffen had verzocht, positief te beantwoorden. Voorts is tussen februari 2005 (de maand waarin de verdachte die geldopname zou hebben gedaan) en het aantreffen van de € 7.650,- in verdachtes slaapkamer op 22 juni 2006 geruime tijd verstreken; daarbij is komen vast te staan dat de verdachte, die geen dan wel een zeer beperkt legaal inkomen genoot, in die periode een auto heeft gekocht voor € 12.500 en ook overigens niet op bescheiden voet leefde. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte zich in bovenbedoelde periode heeft schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen. De gebruikers daarvan plegen, zoals van algemene bekendheid mag worden geacht, hun leveranciers doorgaans in kleine coupures te betalen, hetgeen in casu wordt bevestigd door een aantal afnemers van de verdachte.
Bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen hem onder 3 tenlaste is gelegd, voor zover dit betrekking heeft op het geldbedrag van € 7.650,-. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Het hof is van oordeel dat, anders dan door de advocaatgeneraal betoogd, niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van het aangetroffen geldbedrag ad € 14.500,- en de geldbedragen die met de aankoop van de inbeslaggenomen sieraden en bovenbedoelde auto (Mercedes Cabrio) gemoeid zijn geweest, nu niet in voldoende overtuigende mate is komen vast te staan dat deze geldbedragen aan de verdachte toebehoorden dan wel dat zij afkomstig waren uit enig misdrijf en de verdachte daarmee bekend was."