ECLI:NL:HR:2009:BK3067
Hoge Raad
- Cassatie
- A.R. Leemreis
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep in cassatie tegen aanslag vennootschapsbelasting 2001
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 2001 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. Zowel de Rechtbank Arnhem als het Hof Arnhem verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Het Hof had correct geoordeeld dat de winst van belanghebbende voor 2001 moest worden bepaald volgens de toen geldende wettelijke bepalingen, waaronder artikel 3.39 Wet IB 2001. Dit artikel regelt dat afschrijvingen op bedrijfsmiddelen worden toegerekend aan het tijdvak waarin de verplichtingen voor de verwerving zijn aangegaan. Belanghebbende klaagde dat het Hof dit niet juist had toegepast, en deze klacht werd door de Hoge Raad gegrond verklaard.
Echter, de Hoge Raad oordeelde dat deze gegrondverklaring niet tot cassatie kon leiden omdat de juiste toepassing van de wet niet zou leiden tot vermindering van de aanslag. De overige klachten van belanghebbende werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet tot rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidden.
De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en legde geen proceskostenveroordeling op. Hiermee bleef de aanslag vennootschapsbelasting 2001 ongewijzigd gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 2001 blijft gehandhaafd.