ECLI:NL:HR:2009:BK6519

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03025 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende nieuwe feiten bij valse aangifte

De aanvrager werd door het gerechtshof veroordeeld wegens het doen van valse aangifte van een inbraak in zijn woning op 24 juni 2004. Hij verzocht om herziening van dit arrest op grond van nieuwe bewijsmiddelen die zouden aantonen dat er daadwerkelijk een inbraak had plaatsgevonden op die datum.

De Hoge Raad beoordeelde of deze nieuwe feiten het ernstig vermoeden konden wekken dat, indien zij eerder bekend waren geweest, het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een minder zware strafbepaling zou hebben geleid. De Raad concludeerde dat de aangevoerde feiten dit vermoeden niet konden wekken.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het herzieningsverzoek kennelijk ongegrond en wees het af. Hiermee blijft het eerdere arrest van het gerechtshof in stand, waarin de aanvrager werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf wegens het doen van valse aangifte.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen en de veroordeling blijft in stand.

Uitspraak

15 december 2009
Strafkamer
nr. 09/03025 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 juli 2006, nummer 21/005829-05, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Almelo van 14 november 2005 - de aanvrager ter zake van "aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en tot een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. De aanvrager is veroordeeld voor het doen van valse aangifte van inbraak in zijn woning op 24 juni 2004. In de aanvrage wordt aangevoerd dat er in 2001 op eenzelfde manier bij hem is ingebroken. Uit de bij de aanvrage overlegde bewijsmiddelen zou blijken dat op 24 juni 2004 een inbraak heeft plaatsgevonden in het huis van de aanvrager, zodat anders dan door het Hof is vastgesteld deze inbraak niet door de aanvrager is geënsceneerd.
3.3. Hetgeen is aangevoerd kan evenwel niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 15 december 2009.