ECLI:NL:HR:2009:BK7371
Hoge Raad
- Herziening
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van aanvraag tot herziening wegens ontbreken van grond voor herziening
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor diefstal en illegaal verblijf in Nederland. De aanvraag berustte op de stelling dat sprake zou zijn van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 1°, Sv, namelijk dat er tegenstrijdige bewezenverklaringen zouden zijn tussen verschillende uitspraken.
De aanvrager verwees naar eerdere uitspraken van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en van de Politierechter te Utrecht en 's-Gravenhage waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in vervolgingen wegens overtreding van art. 197 Sr Pro, terwijl de Politierechter hem wel veroordeelde voor een overtreding van hetzelfde artikel. De Hoge Raad overwoog dat voor herziening op grond van art. 457 Sv Pro slechts een door bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid kan dienen dat bewezenverklaringen in verschillende uitspraken niet met elkaar overeenstemmen.
Uit de feiten bleek dat deze voorwaarde niet was vervuld, zodat de aanvraag niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van strikte toetsing aan de voorwaarden voor herziening en handhaafde de rechtszekerheid van in kracht van gewijsde gegane uitspraken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een grond voor herziening.