ECLI:NL:HR:2010:BI1155
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij afkoop calloptie op ter beschikking gesteld pand
Belanghebbende, eigenaar van aandelen in een BV die participeert in een VOF, had een calloptie verleend op zijn aandeel in een onroerende zaak die aan de VOF werd verhuurd. In december 2000 werd een optieovereenkomst gesloten waarbij de BV een koopoptie kreeg op het pand tegen een vooraf vastgestelde prijs. De BV betaalde een optiepremie voor deze optie.
In 2002 werd de optieverplichting afgekocht, waarbij belanghebbende een voordeel behaalde. De Inspecteur rekende dit voordeel tot het belastbare inkomen uit werk en woning op grond van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De Rechtbank oordeelde echter dat de optieverplichting geen vermogensbestanddeel of schuld was in de zin van deze wet en verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond.
De Hoge Raad stelde vast dat de optieverplichting nauw verbonden is met het pand en daarom tot het werkzaamheidsvermogen behoort. De waarde van de verplichting moest op zakelijke grondslag worden vastgesteld en bij het begin van het kalenderjaar 2001 in de boeken worden opgenomen. Het voordeel uit de afkoop van de optie is aldus terecht belast als inkomen uit werk en woning. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het voordeel uit de afkoop van de calloptie wordt belast als inkomen uit werk en woning volgens artikel 3.92 Wet IB 2001.