ECLI:NL:HR:2010:BI1196
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij uitoefening calloptie op ter beschikking gesteld pand
Belanghebbende, eigenaar van een pand en alle aandelen in een BV, verleende in 2000 aan de BV een calloptie op het pand tegen een vooraf vastgestelde waarde. De BV oefende de optie in 2002 uit en verkocht het pand door aan een derde. De Inspecteur rekende de vrijval van de optieverplichting tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en oordeelde dat de optieverplichting geen vermogensbestanddeel of schuld in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001 was, en dat de Inspecteur onterecht het voordeel uit de vrijval van de optieverplichting belast had.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de optieverplichting nauw verbonden is met het pand en daarom tot het werkzaamheidsvermogen behoort. De optiepremie en de daartegenover staande verplichting moeten worden gerekend tot het resultaat van de werkzaamheid. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en handhaafde de aanslag zoals na ambtshalve vermindering vastgesteld.
De Hoge Raad achtte geen reden voor proceskostenveroordeling en wees het beroep in cassatie van de Staatssecretaris toe, waarmee de belastingheffing op de optiepremie en de vrijval van de verplichting werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad handhaaft de aanslag inkomstenbelasting en rekent de optiepremie en vrijval van de optieverplichting tot het belastbare inkomen uit werk en woning.