ECLI:NL:HR:2010:BJ3574
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste uitleg van het begrip wederrechtelijk verblijf in mensensmokkelzaak
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het verblijf van bepaalde vrouwen in Nederland, die op basis van toeristenvisa als prostituees werkzaam waren, als wederrechtelijk kon worden aangemerkt in de zin van art. 197a Sr. Het hof sprak verdachte vrij voor zover het ging om deze vrouwen, omdat het oordeelde dat het verrichten van arbeid op basis van een toeristenvisum niet automatisch leidde tot wederrechtelijk verblijf onder de toen geldende Vreemdelingenwet 1994.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste uitleg had gegeven aan het begrip 'wederrechtelijk verblijf'. Volgens de Hoge Raad houdt wederrechtelijk verblijf in dat het verblijf niet berust op een rechtsregel of titel, en dat het niet voldoen aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet 1994, waaronder de meldingsplicht bij arbeidsverrichting, het verblijf als wederrechtelijk maakt. De Hoge Raad benadrukte dat het EU-gemeenschapsrecht, zoals de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, weliswaar het recht op vrije verplaatsing geeft zolang het visum geldig is, maar dit ziet op toelating en niet op de voorwaarden van het verblijf.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betrekking had op de bewezenverklaring en strafoplegging van het onder 3 tenlastegelegde feit en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.