ECLI:NL:HR:2010:BJ9926

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02866
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
  • W.F. Groos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 513 SvArt. 345 SvArt. 6 EVRMArt. 37 RvArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdigheid van wrakingsverzoek na sluiting onderzoek en gevolgen voor uitspraak

In deze strafzaak stond de vraag centraal of een wrakingsverzoek na sluiting van het onderzoek, maar vóór de einduitspraak nog tijdig kon worden ingediend. De Hoge Raad bevestigde dat een wrakingsverzoek in beginsel in elke fase van het geding kan worden gedaan, mits het verzoek tijdig bij het gerecht is ingekomen en de rechters er redelijkerwijs nog kennis van konden nemen.

De zaak betrof een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verdachte had een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend na sluiting van het onderzoek, maar vóór de uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend omdat het verzoek onvolledig was en niet correct geadresseerd, waardoor het te laat bij de rechters aankwam. Dit risico lag bij de indiener.

Verder werd opgemerkt dat als een wrakingsverzoek tijdig wordt ingediend maar niet vóór de uitspraak kan worden beslist, de rechter het onderzoek moet heropenen en schorsen in afwachting van de wrakingskamer. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met tien maanden en drie weken.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd bevestigd dat de procedurele waarborgen rond wrakingsverzoeken strikt moeten worden nageleefd en dat de rechterlijke onpartijdigheid gewaarborgd moet blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een wrakingsverzoek tot aan de einduitspraak kan worden gedaan indien tijdig ingediend, en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

13 april 2010
Strafkamer
nr. 08/02866
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2008, nummer 20/003377-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-Oost, locatie Ter Peel" te Evertsoord.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof geen einduitspraak had mogen doen, nu de verdachte na sluiting van het onderzoek, maar vóór die einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend.
2.2. Art. 513 Sv Pro luidt:
"1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Tijdens de terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
4. Een volgende verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5. Geschiedt het verzoek ter terechtzitting, dan wordt de terechtzitting geschorst."
2.3.1. Het middel roept de vraag op of na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, doch vóór dat einduitspraak wordt gedaan nog een wrakingsverzoek kan worden gedaan. Hoewel de tekst van art. 513 Sv Pro daaromtrent geen uitsluitsel geeft, moet die vraag niettemin bevestigend worden beantwoord op grond van het navolgende. Bij de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) is een harmonisatie bewerkstelligd van de onderscheiden regelingen over wraking en verschoning (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 111, 267 en 268). Als gevolg daarvan is art. 513 Sv Pro - afgezien van hier niet ter zake doende verschillen - gelijkluidend aan art. 37 Rv Pro en art. 8:16 Awb Pro. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de onderscheiden wrakingsbepalingen houdt in:
"De ratio van het instituut van de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de in dit artikel geformuleerde norm: feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het recht om wraking van een rechter te verzoeken, is toegekend aan partijen. Een dergelijk verzoek kan in beginsel in elke stand van het geding worden gedaan. Een verzoek om wraking kan uiteraard evenzeer betrekking hebben op een rechter-commissaris."(Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 113)
Hieruit volgt dat, totdat einduitspraak is gedaan, een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan.
2.3.2. Een na de sluiting van het onderzoek schriftelijk ingediend wrakingsverzoek is tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs nog kennis konden nemen. De omstandigheid dat het verzoek de rechter(s) te laat bereikt wegens onduidelijkheid dan wel onvolledigheid van het verzoek, de adressering en de vermelding van de zaaksgegevens daaronder begrepen, komt voor risico van de indiener.
2.3.3. Opmerking verdient nog dat in het geval dat het verzoek tijdig is ingediend doch daarop niet kan worden beslist vóór het tijdstip waarop de uitspraak is bepaald, de rechter in verband met art. 345, derde lid, Sv het onderzoek in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer zal dienen te heropenen en te schorsen.
2.4.1. Tot de stukken behoort een kopie van een verzoek tot wraking met als datering 22 april 2008. Dat verzoek vermeldt in de aanhef als geadresseerden een viertal instanties, waaronder "Gerechtshof 's-Hertogenbosch t.a.v. (...) President".
2.4.2. Het desbetreffende verzoek behelst noch het parketnummer van de zaak noch de datum van de uitspraak. Op die kopie is een stempel geplaatst waarop is vermeld: "Gerechtshof 's-Hertogenbosch" en als kennelijke inkomstdatum "29 april 2008".
2.5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2008 heeft de voorzitter na sluiting van het onderzoek in aanwezigheid van de verdachte en haar raadsvrouwe meegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 29 april 2008 te 12.00 uur.
2.5.2. Het middel neemt tot uitgangspunt dat het wrakingsverzoek tijdig, dat wil zeggen vóór de uitspraak is gedaan. Voor de juistheid van die stelling bieden de stukken van het geding echter onvoldoende feitelijke grondslag. Daarop stuit het middel af.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van één jaar.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze tien maanden en drie weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen, H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 april 2010.