ECLI:NL:HR:2010:BK1615
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid en verjaring bij ontbinding gemeenschap van goederen
In deze zaak stond centraal de vraag of de vordering van het UWV tot betaling van een bedrag wegens onverschuldigd betaalde WW-uitkering jegens eiseres was verjaard. Eiseres was gehuwd in gemeenschap van goederen met betrokkene, die de uitkering ontving. Na ontbinding van het huwelijk stelde het UWV eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de helft van de schuld van betrokkene.
De rechtbank en het hof wezen het verjaringsverweer van eiseres af, omdat de hoofdelijkheid voortvloeit uit de ontbinding van de gemeenschap van goederen en de vordering jegens haar pas vanaf dat moment is ontstaan. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte de zelfstandigheid van vorderingsrechten jegens hoofdelijke schuldenaren, waardoor verjaring jegens de ene schuldenaar niet automatisch verjaring jegens de andere betekent.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres en veroordeelde haar in de kosten van het geding. Hiermee is de hoofdelijkheid en de toepasselijkheid van de verjaringstermijn vanaf ontbinding bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering van het UWV jegens eiseres niet is verjaard.