ECLI:NL:HR:2010:BK2149
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens grondslagverlating bij feitelijk leidinggeven aan onjuiste omzetbelastingaangiften
De verdachte werd verdacht van feitelijk leidinggeven aan of opdracht geven tot het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van omzetbelastingaangiften door de besloten vennootschappen [A] B.V. en [B] B.V. in de periode van 1998 tot 2001. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het niet kon bewijzen dat hij zelf de aangiften onjuist had gedaan, maar dit betekende dat het hof de verdachte vrijsprak van iets anders dan hem was tenlastegelegd, namelijk het feitelijk leidinggeven of opdracht geven aan de rechtspersonen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof eerst had moeten vaststellen of de rechtspersonen daadwerkelijk een strafbaar feit hadden begaan door opzettelijk onjuiste aangiften te doen. Pas daarna had het hof moeten beoordelen of de verdachte feitelijk leiding had gegeven of opdracht had gegeven tot die gedragingen. Door deze volgorde niet te hanteren, had het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 12 januari 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens grondslagverlating.