ECLI:NL:HR:2010:BK2650

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatieberoep ondanks overschrijding redelijke termijn

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was veroordeeld tot een taakstraf van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis. Tijdens de procedure trok de advocaat het eerste middel van cassatie in, waarna het tweede middel werd beoordeeld en verworpen.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ondanks deze overschrijding werd geoordeeld dat gezien de lichte straf en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefden te worden.

De Hoge Raad besloot daarom het beroep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 19 januari 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19 januari 2010
Strafkamer
nr. 07/12571
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 20 september 2007, nummer 23/004256-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij brief van 30 september 2009 heeft mr. Franken het eerste middel ingetrokken.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 19 januari 2010.