ECLI:NL:HR:2010:BK3531
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
De overschrijding van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep leidt tot een sanctie in de vorm van strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze van vier jaar tot drie jaar en zeven maanden. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 januari 2010, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot drie jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.