ECLI:NL:HR:2010:BK5582

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02222
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14j SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en motivering tenuitvoerlegging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de tenuitvoerlegging was gevorderd door het Openbaar Ministerie. Het hof had de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen omdat de verdachte de algemene voorwaarde van de proeftijd had geschonden door zich schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten binnen de proeftijd.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof de toewijzing van de tenuitvoerleggingsvordering nader had moeten motiveren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd door vast te stellen dat de verdachte de algemene voorwaarde niet had nageleefd, zoals vereist in art. 14j, eerste lid, Sr. Een nadere motivering was niet noodzakelijk.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, stelde de straf vast op drie maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en verwierp het beroep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot drie maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

26 januari 2010
Strafkamer
Nr. 08/02222
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 november 2007, nummer 22/002262-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging nader had moeten motiveren.
2.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
"Tul
meneer heeft thans werk T.u.l. in de vorm v. gevangenisstraf dient niet in redelijkheid een na te streven doel in termen v. strafrechtspleging.
Verzoeke taakstraf, eventueel langer dan gebruikelijk."
2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging het volgende overwogen:
"Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 november 2005 onder parketnummer 21-001403-04 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten."
2.4. Het Hof heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gemotiveerd door vast te stellen dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Door aldus te overwegen heeft het Hof zijn beslissing voorzien van de in art. 14j, eerste lid, Sr vereiste motivering. Tot een nadere motivering was het Hof, ook gelet op hetgeen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is aangevoerd, niet gehouden.
2.5. Het middel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 januari 2010.