ECLI:NL:HR:2010:BK5582
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en motivering tenuitvoerlegging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de tenuitvoerlegging was gevorderd door het Openbaar Ministerie. Het hof had de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen omdat de verdachte de algemene voorwaarde van de proeftijd had geschonden door zich schuldig te maken aan nieuwe strafbare feiten binnen de proeftijd.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof de toewijzing van de tenuitvoerleggingsvordering nader had moeten motiveren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd door vast te stellen dat de verdachte de algemene voorwaarde niet had nageleefd, zoals vereist in art. 14j, eerste lid, Sr. Een nadere motivering was niet noodzakelijk.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, stelde de straf vast op drie maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot drie maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.