ECLI:NL:HR:2010:BK6923
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak zonder rechtsgevolg
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden.
De Hoge Raad bevestigde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit werd echter niet als reden gezien om het cassatieberoep gegrond te verklaren.
De Hoge Raad verwees naar een samenhangende strafzaak waarin eveneens sprake was van termijnoverschrijding, en waar compensatie voor de overschrijding zou worden toegepast. Daarom werd in deze ontnemingszaak volstaan met de constatering van de overschrijding zonder verdere rechtsgevolgen.
Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 23 maart 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn maar verwerpt het cassatieberoep zonder rechtsgevolg.