3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiseres], geboren in 1957, is het slachtoffer geworden van twee ongevallen. Het eerste ongeval heeft plaatsgevonden op 8 november 1988, het tweede op 4 mei 1991. Als gevolg van het eerste ongeval heeft [eiseres] een whiplashtrauma opgelopen. Ook het tweede ongeval heeft bij haar tot een whiplashtrauma geleid. Volgens een in opdracht van [eiseres], Sterpolis en FBTO door prof. J.C. Koetsier verrichte expertise heeft het tweede trauma geleid tot een verergering van de status die is ontstaan na het eerste whiplashtrauma. Zijn rapport dateert van 14 januari 1994.
(ii) Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 20 januari 1998 is Sterpolis veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres] van haar schade, op te maken bij staat, die het gevolg is van het ongeval van 1988 en is FBTO veroordeeld tot vergoeding van haar schade, op te maken bij staat, die het gevolg is van het haar in 1991 overkomen ongeval. Beide verzekeraars zijn hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, die het gevolg kan zijn van beide ongevallen en het gevolg is van ten minste een van deze ongevallen. Sterpolis en FBTO zijn rechtsvoorgangers van de verzekeraars.
(iii) [Eiseres] heeft tot de geboorte van haar eerste kind op [geboortedatum] 1983 als productiemedewerkster gewerkt; daarna heeft zij niet meer gewerkt.
(iv) In opdracht van [eiseres] en de verzekeraars is door de arbeidsdeskundige J. Lanting (hierna: Lanting) van Terzet, op basis van de door de medisch adviseur van [eiseres], W.A.B. Hagen, op 12 augustus 2002 opgestelde beperkingenlijst, een arbeidskundig onderzoek verricht met betrekking tot de behoefte aan huishoudelijke hulp als gevolg van de beide ongevallen alsmede met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen. De rapporten dateren van 17 maart 2003 en 11 april 2003. Zij bevatten de conclusie dat sprake is van een resterend arbeidsvermogen waarmee een inkomen kan worden verdiend tussen het minimumloon en € 1.850,-- bruto per maand.
(v) In opdracht van [eiseres] en de verzekeraars is een re-integratierapport opgesteld door de deskundige P.J. Hensbergen van Terzet. Haar rapport van 6 november 2003 bevat de conclusie dat [eiseres] gedurende vijftien jaar heeft geprobeerd een balans in haar leven te vinden, dat zij geen vrede heeft met haar huidige situatie doch wel berusting heeft gevonden in haar dagstructuur en activiteitenpatroon en daarom niet ervoor openstaat dit weer te herzien, alsmede dat beschikbare functies, waarbij toch wel minimaal 20 uur inzetbaarheid nodig is, in haar regio dun zijn gezaaid en dat het de vraag is of [eiseres] met haar concentratiestoornissen cursussen kan volgen, waartoe zij wel bereid is.
(vi) Een in opdracht van [eiseres] door Bureau [A] gemaakte, op 25 april 2001 gedateerde, berekening van het nettoverlies van arbeidsvermogen gaat uit van een volledige arbeidsongeschiktheid en waardeert de restcapaciteit op nihil.
(vii) In opdracht van de rechtbank heeft Academisch Centrum voor Arbeid en Gezondheid (ACAG) op 14 augustus 2006 een rapport uitgebracht waarbij beoordeeld is of de eventuele geheugen- en/of concentratiestoornissen (of andere cognitieve afwijkingen) van [eiseres] van invloed zijn op haar restcapaciteit.